Een moeder en oma uit Genk overbluft in Afghanistan de mannen en krijgt het voor elkaar dat hun vrouwen les mogen volgen, of dat ze hun kinderen niet verkopen. Het verhaal van Anita Purnal.
De afgelopen zeven jaar is ze liefst 24 keer naar Kabul, Afghanistan, gereisd. Daar bevindt zich het kantoor van Moeders voor Vrede, van waaruit in 2003 het Vrouwencentrum in Istalif is gestart, een dorp op zowat veertig kilometer van de hoofdstad. Istalif was vroeger een soort land van Eden, maar werd door de oorlog in een woestenij herschapen. En als de economie in elkaar stort, zijn het de zwaksten die dat het hardst voelen: de vrouwen en de kinderen. In het land van de boerka mochten zij niet meer naar school, niet werken, geen eigen mening verkondigen.
Vandaag hebben al 2.400 vrouwen in Istalif leren lezen en schrijven en hebben er tientallen een eigen zaak opgestart, na een opleiding tot imker, naaister, keramist of kippenkweekster. Er is een medisch aanbod voor moeder en kind en sinds 2005 wordt ook aan mannen de kans op een opleiding geboden, op voorwaarde dat zij hun eigen vrouw en dochters niet in hun ontwikkeling afremmen. Op vier andere locaties in het land is intussen een aanzet tot gelijkaardige projecten gegeven, vaak zelfs op vraag van de mannelijke gezagvoerders in die regio's.
Het begon nochtans met véél tegenkanting. Zes maanden nadat het Vrouwencentrum in Istalif werd opgericht, gaven de lokale coördinatrice en de Franse directrice er al de brui aan. Ze waren bedreigd en vreesden voor hun leven. Op vraag van Moeders voor Vrede reisde Anita Purnal er naartoe. Ze slaagde erin de knoop te ontwarren door de mannen van het dorp voor het vrouwenproject te winnen. Voor haar grote en niet-aflatende inzet krijgt ze dit jaar de Marie Popelin-prijs, een vijfjaarlijks initiatief van de Nederlandstalige Vrouwenraad.
Te onverschrokken
‘In moeilijke situaties doen we altijd een beroep op Anita', zegt Jenny Vanlerberghe van Moeders voor Vrede. Samen met Purnal vormt zij de tandem die het project al zeven jaar aan de gang houdt. ‘Op de een of andere manier kan Anita het altijd oplossen.'
Het helpt ook, zegt Vanlerberghe, dat Anita niet bang is. ‘Ze is zelfs een beetje té onverschrokken. Zij durft nog alleen rond te lopen in de stad, hoewel je daar nu nauwelijks nog westerlingen ziet. De meesten verschansen zich in gepantserde wagens. De situatie is er het jongste jaar echt niet op verbeterd. Soms ben ik bang dat de Taliban toch nog eens een bom op het Vrouwencentrum zullen laten vallen. Garanties voor de veiligheid van onze medewerkers kan ik niet geven. Ik heb Anita ook al vaak gewaarschuwd dat ze beter een hoofddoek zou dragen, maar toch doet ze het niet.'
Purnal is net anderhalve week terug uit Kabul. ‘Hier zijn de mensen altijd veel banger. Ter plaatse is het echt niet zo beangstigend', bezweert ze mij, in haar gezellige Limburgs accent. ‘Ik neem natuurlijk wel een paar voorzorgen. Ze hebben daar brede stoepen en ik loop er altijd in het midden. Zo kan niemand me in een huis binnentrekken en ook niet in een voertuig. We nemen er gewone taxi's, maar het verkeer is zo druk dat ze toch nooit snel kunnen rijden. En ik ken de weg. Ik probeer zo weinig mogelijk op te vallen. Bang ben ik nooit, echt niet. Ik geloof in het lot, en dat kan je overal treffen. In Afghanistan, of thuis in je bed.'
En nee, een hoofddoek: ze heeft het geprobeerd, maar ze heeft het opgegeven. ‘Ik vind het vervelend, want wij vragen ook aan buitenlanders om zich in ons land aan te passen. Ik zou mij dus aan de Afghaanse gebruiken moeten aanpassen. Maar het gaat me niet goed af. Ik zit altijd aan zo'n hoofddoek te prutsen. Dan maar liever niet. Ik draag wel van die wijde kleren, zoals iedereen. Soms nemen ze mij voor een man, met mijn korte, grijze haar. Dat heeft zo zijn voordelen.'
Is het daardoor dat ze de mannen van Istalif kon overtuigen om het Vrouwenhuis gerust te laten en hun vrouwen toe te staan er lessen te gaan volgen?
Ze lacht: ‘Nee, het kwam, denk ik, doordat ik een oudere vrouw ben. Afghaanse mannen hebben maar respect voor vrouwen als ze een zekere leeftijd hebben. De Franse directrice, die het na zes maanden al opgaf, was nog maar een twintiger. De gezagsdragers in de streek hebben het mij ook letterlijk gezegd: bij u is dat anders, naar u willen we wel luisteren.'
Ook met de man die de bedreigingen had geuit, ging ze praten. ‘Ik heb hem gezegd dat hij in mijn ogen een Taliban was: “U denkt en spreekt als een Taliban, dus bent u voor mij een Taliban.” Daar schrok hij zo van, dat hij vanaf dat moment heeft ingebonden.' Ze heeft ook mannen overhaald om hun kinderen niét te verkopen. ‘Ik praat op hen in en tot mijn grote verwondering lukt dat nog ook.'
Purnal blijft echter bescheiden: ‘Ik zou dit nooit alleen hebben kunnen doen. Ik wil nadrukkelijk de vzw Moeders voor Vrede bedanken, die me deze prachtige kans geboden heeft. Ik doé het trouwens niet alleen. We werken met een heel team.'
Teuten
Hoelang denkt ze het nog vol te houden? ‘Goh, geen idee. Ik had oorspronkelijk nooit gedacht dat ik er zoveel naartoe zou gaan. En het plan was en is nog altijd dat de Afghaanse vrouwen en mannen het zelf moeten gaan doen. Het duurt alleen iets langer dan we hadden gedacht. Ze vragen van ons altijd dat we helpen, maar eigenlijk moeten zij het doen. En dat doen ze ook, hoor. Onlangs nog hebben tien bijenhoudsters samen een slingermachine gekocht om honing te maken. Dat is het begin van een coöperatieve.'
‘Maar ik blijf graag gaan. Ik vind het werk erg bevredigend omdat je in zo'n land nog echt het verschil kunt maken. En het reizen zit me in het bloed. Ik zal je iets verklappen: ik stam af van de Teuten, een Limburgs reizigersvolk dat van deur tot deur ging om spullen te verkopen.'
Van haar vier kinderen wonen er twee dochters in het buitenland. Maar haar man is veeleer honkvast. Wat vindt hij ervan, dat zij drie keer per jaar naar een van de gevaarlijkste landen ter wereld trekt? ‘Hij vindt het oké dat ik het doe.'
Zit hij er niet mee, dat ze toch risico loopt? Ze glimlacht: ‘Hij heeft wel eens gevraagd: wat als jij weg bent en ik hier thuis ziek word?' Gelukkig kan zijzelf, als ze in Afghanistan ziek wordt, een beroep doen op de Belgische legerarts die daar ook gestationeerd is. Het is ook met het Belgische leger dat ze heen en weer vliegt, om de kosten te drukken.
Het Vrouwencentrum in Istalif werd in de beginjaren uitsluitend met privégiften gefinancierd. Op voorwaarde dat het project werd uitgebreid, wat intussen gebeurd is, neemt Buitenlandse Zaken nu voor twee jaar zestig procent van de kosten voor zijn rekening.
‘Omdat wij het enige humanitaire project uit België zijn dat daar nog overleeft', zegt Vanlerberghe, die deze kant van de werking voor haar rekening neemt. De rest moet met giften en eigen creativiteit worden aangevuld.
Meer info:
www.mothersforpeace.be
Bron: De Standaard - Veerle Beel – 11 december 2011
[ Klik op onderstaande artikels uit "het Belang van Limburg" om te vergroten ]



Geen opmerkingen:
Een reactie posten